Wil je Waardevol Faciliteren?

Deelnemers met certificaat

In twijfel ligt nochtans de zo gekoesterde vrijheid van de mens vervat. – Voltaire

De toestand is complex, onduidelijk, vaag en onzeker. En ondertussen moet je ook nog vernieuwen. En dan ook nog het fenomeen van een onduidelijke opdracht van een opdrachtgever die wel de indruk wekt het te weten, maar … twijfel. (zie Waardevol Faciliteren).

Hoe ga je daar goed mee om? Waar ligt je vrijheid? In de twijfel? Je hebt Kunstmest nodig – voeding in de kunst van het faciliteren van veranderingen met groepen. Door beter te faciliteren, omgaan met team, groepen en organisaties in transitie. Het zit in de manier van met elkaar omgaan – wie, waar, welke? – , minder in het wat en hoe. Dat laatste – hoe voer je een sessie uit? – komt zeker aan bod. Maar de nadruk ligt op met elkaar uitvinden wat voor jou en je organisatie wanneer het beste werkt.

We hebben nog twee deelnemers nodig voor de Tiende Leergang, Kunstmest XP; Faciliteren voor eXPerts. Neem contact met me op voor meer informatie of bezoek http://www.faciliteren-als-2e-beroep.nl/kunstmest-xp. Jij verdient Kunstmest!

Het proces en de paradoxen van expressie

De cruciale paradox voor faciliteren van veranderingen, is de (deel/deel) paradox van expressie. Dit is het vermogen om je als deel van een groep uit te drukken, tegen of met de druk van een groep. De hiermee gerelateerde (heel/heel) paradox, is de paradox van vermogen (Engels “power“). Als illustratie kan het proces van over de uitspraken van Wilders dienen. Let op: vermijd het persoonlijk nemen van een uitspraak! En proces heeft nog een andere betekenis: de manier waarop iets zich ontwikkelt, de voortgang. Deze aspecten ga ik hier belichten.

Er bestaan spanningen in onze maatschappij. De spanningen worden veroorzaakt door verschillen. Die spanningen lopen op. Soms verdwijnen ze weer, als sneeuw voor de zon. Of ze lopen op, tot ze vast lopen. De situatie wordt hyperkritisch, een situatie waarin een kleine aanleiding zorgt voor een groot effect. Een lawine, aardbeving, een revolutie, een schisma of opstand. Dat gebeurt met een bepaalde cyclustijd. De spanningen hangen samen met paradoxen, schijnbare tegenstellingen. De tegenstellingen die aanleiding geven tot de spanningen en die zelf weer andere spanningen en tegenstellingen oproepen.

Doe een uitspraak over een uitspraak
Ook het Wilders proces vormt zich uit een paradox en schept nieuwe paradoxen. Welke paradoxen? De paradox van Expressie (gezien vanuit het perspectief van binnen een groep) en Macht (perspectief tussen groepen). Deze Paradoxen bestaan uit de paradoxen van Autoriteit, Afhankelijkheid, Creativiteit, Moed. Er treedt bij het proces tegen Wilders een aardige dubbeling op: “de vrijheid van meningsuiting” ofwel expressie, is zelf deel van de situatie. De uiting “vrijheid van meningsuiting” is ook een uiting.

Stagnatie of escalatie
Onderdrukken van uitspraken is normaal, de regel. Het begint er al mee, dat je zelf niet alles kunt of wilt zeggen. Met name (sic) dingen over jezelf, gevoelens, zaken, die je niet wilt erkennen. Vanuit het perspectief van Transactionele Analyse, is dit de “ouderpositie”. Archetypisch, is hier “Vader” aan het woord. Vandaar dat er in autoritaire staten zelfs niet gesproken mag worden, zelfs niet over de vrijheid van meningsuiting. Of dat sommige uitspraken, bijvoorbeeld over een heilig boek, niet gedaan mogen worden. Deze dienen met macht onderdrukt te worden. In meer democratische staten, komt steeds de vraag op, waar de grenzen van “de vrijheid van meningsuiting” liggen. In het eerste geval, treedt stagnatie op; in het tweede geval escalatie. Uitspraken van de voorzitter van de PVV geven aanleiding tot escalatie, die geëscaleerd worden naar de rechtbank. (Gisteren, 6 februari, nog een mooi voorbeeld van D’66 versus PVV).

Minder, minder minder uitspraken….
Het proces van (of is het tegen, over?) de voorzitter van de PVV gaat na verloop van tijd niet meer over die uitspraak, maar ook over uitspraken over die uitspraak, over uitspraken van uitspraken (merk op: een vonnis heet ook een uitspraak) en er is sprake van uitspraken over uitspraken over uitspraken over … . En sommigen noemen het ook weer een gevolg van “de media”. Een duidelijke verwisseling van doel (uitspraak) met middel (medium). Niet verwonderlijk, want “the medium is the message“. Hier zien we in de praktijk, hoe een paradox leidt tot een vicieuze cirkel. Of omgekeerd, dat een eindeloze regressie een zeker teken van een paradox is.

We kunnen de aspecten van de paradox van expressie / macht herkennen:

Salomon’s (anti)autoriteit
Wie is hier de autoriteit? Dat kan zijn de heer Wilders, een rechter, het volk, de ingezondenbrievenschrijver, de krant, de deskundige. Maar het kan ook zijn “de politiek”, “het wetboek van strafrecht”, “het vonnis”, en natuurlijk die uitspraak zelf. Juist het feit, dat de uitspraak vanuit een autoriteit is gedaan was, maakt het tot de vonk die het vuur laat ontbranden. Hier is de uitspraak “hoe krijgen we de geest weer in de fles” op van toepassing. Het proces van autoriseren gaat ongeveer als volgt: om als autoriteit door de volgers (h)erkent te worden, dienen er met autoriteit uitspraken gedaan te worden. Een leider kan niet bestaan zonder volgers. Een groep kan niet bestaan zonder andere groepen. Een paradox uit de uitspraak “minder, minder, minder …” is dat de leider de “anderen” nodig heeft om zich zelf te promoten. Vandaar de neiging, om te escaleren naar buiten het territorium – de anderen die zullen komen. Een bijkomend voordeel voor een autoriteit van een rechtszaak, is dat het de autoriteit bevordert. Een optie voor een rechtbank, zou een paradoxaal Salomonsoordeel kunnen zijn: de uitspraak is niet letterlijk bedoeld, maar bij wijze van spreken.

De menselijke stem: (on)afhankelijkheid
we zijn afhankelijk van elkaar. Om onafhankelijk te zijn, zullen we eerst onze afhankelijkheden moeten erkennen. De politiek is afhankelijk van tegenstemmers, nee-stemmers, onafhankelijk van welke partij je aanhangt. Media zijn voor hun inkomsten en oplage afhankelijk van uitspraken, uitspraken van politici. Ze leven van voor- en tegenstanders. Politici zijn afhankelijk van kiezers, de stem van de kiezer. (Merk op, dat “stem” een letterlijk verwoording is van de paradox van expressie). De paradox komt tot uiting in de uitspraak: “having a say differs from having a vote“. Stemmen krijg je van standpunten, standpunten die niet alleen duidelijk zijn, maar ook tot acties en resultaten leiden. We zijn afhankelijk van zogenaamd onafhankelijke rechters. Rechters kunnen niet onafhankelijk zijn, omdat ze afhankelijk zijn van wetten, regels en uitspraken. Ze zijn mensen. Wat belangrijk is, is dat ze een autonome positie kunnen blijven innemen. Vandaar dat autoritaire staten geen autonomen rechters kunnen accepteren.

Lachen: (destruc)(crea)tiviteit
Creativiteit houdt ook in omgaan met destructie. Iedere autoriteit, zal een betere toekomst beloven aan de volgers, op voorwaarde, dat je hem of haar volgt. En dat je je eigen ideeën vernietigt. Het is zelfs ongewenst, wanneer volgers met nieuwe ideeën komen, omdat ze de macht van de leiding ondergraven. Het is noodzakelijk voor de autoriteit, om zich de ideeën van anderen toe te eigenen. En andere geluiden het zwijgen op te leggen. Het zelfstandig kunnen denken en een oordeel vormen is de vijand van de macht. Creativiteit, als expressie van individualiteit, dient onderdrukt te worden. Vandaar bijvoorbeeld kledingvoorschriften. Vandaar, dat er zoveel fotomontages gemaakt worden – erg creatief. De oplossing voor een paradox, zit in de humor, de ontspannende lach.

Moed moet
Het vergt moed, om tegen een groep in te gaan. Het vergt geen moed, om voor een groep te verkondigen, wat een groep al “meent”. Voorop lopen met steun van anderen, is wat anders dan vooroplopen en kwetsbaar zijn. De confrontatie zoeken, is makkelijker, dan onderzoek doen. Het vraagt moed om uit te vinden, waar een groep werkelijk behoefte aan heeft. Door een deelbelang op de voorgrond te zetten, hoef je het algemeen belang niet te dienen. De paradox van moed, houdt in, dat je doorgaat, ondanks je angst. Dat je een ander in de ogen kijkt.


Aanwijzingen voor facilitators

De belangrijkste aanwijzing is om altijd op hetzelfde niveau te zijn als de ander en te bewegen naar de “Ouder-positie”. Gebruik je autoriteit om te delen, je afhankelijkheid om gezichtspunten van anderen te zien en je creativiteit om veiligheid te bieden. Met moed, kan je de ander in de ogen kijken en ze zien. Laat zien, dat je ze ziet. Ga zitten met de anderen, wanneer de anderen zitten. Laat anderen staan, wanneer je staat. Gebruik je moed, om te zeggen waar je behoefte aan hebt, wanneer je iets niet weet. Herinner je, dat je een ander niet kunt veranderen. Leer de ander om zelf de autoriteit te nemen, over de eigen situatie. Toon je verantwoordelijkheid.

Je kan een paradoxale situatie niet oplossen door een actie, noch door een reactie, alleen door interactie. Door de polariteiten te verenigen, te dulden, kan je ruimte en tijd scheppen voor een manifestatie van mogelijke wegen. Vertrouw op de keuze van de groep, zeker wanneer je merkt dat ze begrijpen “wat het probleem is”. Het verkeerde antwoord op het goede probleem, is te prefereren boven een nieuw antwoord op het oude probleem. Een paradoxale situatie kan alleen zich zelf “oplossen”.

Waar ligt de oorzaak van het begin?

Voor sommigen mensen vormen ideeën de eerste oorzaak. Het idee is, dat we eerst wat bedenken en daarna gaan doen. Dit idee, ligt ook ten gronde aan veel bijeenkomsten. Om te veranderen, hebben we een idee, droom, visie, beeld nodig. Dit idee moeten we delen, we moeten het eens worden en dan kunnen we wat gaan doen. Dat noemen we wel: “één focus” of “project”. Dat idee komen we straks weer tegen.

Maar, weet, het werkt ook omgekeerd. Wat we bereikt hebben, verklaren we uit de ideeën die we hadden. Ons brein is een meester in het uitfilteren – vergeten – van de andere ideeën die we hadden, en die het niet zijn geworden. Ook horen we nooit wat van mensen wier idee “niets” geworden is. Grote passen, snel thuis: ook voor ideeën gelden de wetten van het evolueren. Er zit niet een plan of een doel achter de wereld. Ze is wat ze is. De oorzaak is ook het resultaat, het resultaat volgt uit de oorzaak. We kunnen niet bepalen wat of welke de “eerste” oorzaak is. Omdat we zelf het idee vormen over een eerste oorzaak, geen idee zonder denker.

Wat veroorzaakte dit idee? Er zijn – als altijd – vier oorzaken denkbaar:

1. Aarde: de concrete, materiële wereld (we zeggen niet voor niets “materie”, van mater, moeder)

2. Lucht: de universele kosmische wetten (kosmos betekent immers “structuur”), zoals de Wet van Behoud van Energie

3. Water: de gemeenschap, de groep waarin we geboren werden (we spreken over “gemeenschap”. omdat die de betekenis (“meaning“) aan ons bestaan geeft)

4. Vuur: het idee (de logos, woord, wijsheid, kennis en, met een grote bocht: Sophia, het vrouwelijke aspect van het Goddelijke, de “moeder van god”)

Zoals steeds, verenigt het vierde element vuur, de andere drie. Daaruit ontstaat, als autonoom fenomeen, “een idee”. We kunnen geen ideeën scheppen, zonder een materiële, gestructureerde en gemeenschappelijke wereld. We formuleren een idee in taal. Taal heeft structuur, volgorde, grammatica. Daarbij heeft taal interactie, wisselwerking nodig, met anderen. Taal vertelt zo veel meer, ook tot welke taalgemeenschappen we onszelf rekenen. Taal is aangeleerd.

De werkelijke oorzaak is natuurlijk “Het Ene”, het ondeelbare, de oorzakelijke oorzaak. Daarna volgde de splitsing of de schepping, afhankelijk van waar de klinker plaatst (in het Hebreeuws).

Volgens mij is een gedachte altijd een verleden tijd, in elke taal. Dat komt, omdat we een ervaring, gewaarwording, “vertalen” in een gedachte, een idee. Tegelijkertijd (!) werken onze hersenen zo, dat ze een geachte in onze beleving “terugplaatsen” in de tijd. We hebben dus het idee, dat er eerst een idee is. Dit is naar mijn idee, een soort copingsmechanisme. Want wanneer er niet eerst een idee zou zijn, wie bedenkt dan de ideeën? Dat ze spontaan opkomen, is voor mensen in een gemeenschap onwenselijk. Maar volgens mij zijn ideeën voor de hersenen, wat diarree is voor de darmen. Wanneer je je gedachten probeert te volgen, zal je merken, dat ze komen en gaan. Mensen hebben ideeën, maar geen idee waar die vandaan komen. En dat kunnen we ook niet weten, omdat waar de ideeën vandaan komen, geen taal is. (Of op z’n hoogst een niet-verbale taal, maar een bio-elektrochemische taal)

Wat mensen – let op, dat “men” in “mensen” ook van “meen” afstamt – hebben uitgevonden (of ontwikkeld, weer afhankelijk van je standpunt), of bedacht, is “projecteren”: het afbeelden van een idee op de omgeving. Vandaar, dat we dingen een “voorwerp” noemen, een “pro-jectie”. Uit het aangeleerde vermogen ons beeld in een iets te projecteren, we moeten leren om te zien, ontstaat de gewaarwording, dat een idee een eerste oorzaak heeft en dat ik dat ben. Vandaar dat het eerste hoofdstuk van mijn boek gaat over “begrijpen”. We dienen het voorwerp te kunnen begrijpen, moeten er een idee van krijgen, voor we het kunnen gebruiken. Hou me te goede, dit is niet verkeerd, maar het is ook niet “echt”. Vandaar dat we uiteindelijk komen bij het begrip “kunst“, wat, het woord zegt het al, “kunstmatig” is. Ik meen me te herinneren, dat dat idee bij Reve vandaan komt. Om dat door te vertalen naar “droom”, lijkt me wel erg hineininterpretieren.

De lezer of toeschouwer wordt herinnerd aan een afspraak, die hij trachtte te vergeten, en realiseert zich opnieuw dat de gerepresenteerde wereld niet ‘natuurlijk’ is, maar kunstmatig
Verrek, het is geen kunstenaar: Gerard Reve en het schrijverschap, Edwin Praat

Implicaties voor faciliteren
– Intake: het idee, wat de “eerste oorzaak” is van een situatie, vertelt ons hoe de opdrachtgever / groep de situatie gewaar wordt. Uit die kadering, volgen hun acties en daaruit het resultaat plus het vastlopen. Vraag, bijvoorbeeld bij een intake, door op de gehanteerde metafoor. “En waar leidt …. (oorzaak) toe?” “en wat volgt dan op ….(oorzaak)?” “en wat gebeurde we vlak voor (oorzaak)?”. Gebruik “Clean Language”, zuivere taal, waarin je zo min mogelijk van je eigen ideeën verwoordt.

– Ontwerp: geef gelegenheid aan de deelnemers om “het idee” van de bijeenkomst te formuleren. Waar hebben we het over, wanneer we over het onderwerp spreken? Doe altijd een Check in, naar de ideeën van de deelnemers.

– Uitvoering: beweeg van beleving (groen) via idee (geel) naar vertaling (blauw). Laat bij voorkeur deelnemers eerst zelf een idee opschrijven. Dat vergemakkelijkt het formuleren en onthouden van een idee. Het opschrijven is een vorm van beweging.

– afronding, evaluatie: eindig positief. Laat deelnemers bijvoorbeeld in één (of zes) woorden beschrijven wat ze hebben meegemaakt. Gebruik het woord “meemaken”.

Kapitalisme als viervoudige religie

Gisteren ontvingen we mijn Jung-werkgroep. Het onderwerp van deze bijeenkomst was “gnosis“: wat is het, welke betekenis heeft het en hoe verhoudt het zich tot de leer van Jung. Dit naar aanleiding van het hoofdstuk over Quispel in “In de ban van Jung”. Hierbin mijn inzichten, als aanvulling op hoofdstuk drie van mijn boek

Ik ervaar gnosis als een vorm van spiritualiteit. Een spiritualiteit die in alle religies voorkomt, de NF-spiritualiteit, de reis van de Harmonie, zoals verwoord in Four Spiritualities: Expressions of Self, Expression of Spirit door Peter T. Richardson. Richardson beschrijft hoe in elke religie vier diverse spiritualiteiten tot uiting komen, die samenhangen met (het ontwikkelen van) een eigen zelf. (Zie ook mijn boek Faciliteren als Tweede Beroep, hoofdstuk 3, het hoofdstuk met de sleutels).

Religare” betekent letterlijk opnieuw verbinden. Dat lijkt me het opnieuw verbinden met (materiële) wereld en met (spirituele) ander. Iedereen bereist daarin een ander pad, of weg of reis, afhankelijk van aard en aanleg, familieomstandigheden en je – afhankelijk van standpunt of opvattingen – al dan niet, toevallige ontmoetingen. (En zie hoe zo reizen bestemt). Deze verschillen bestaan altijd uit een combinatie van vier smaken, kleuren, terreinen, (leiderschaps)stijlen, wereldbeelden, psychologische types of hoe je het ook wilt zegt. Ik gebruik daarvoor las code de Jungiaanse types: ST, SF, NF en NT. (Hun expressie is weer afhankelijk van de E/I en de P/J-functies en natuurlijk de specifieke context). Vat deze op als extremen, ze komen in hun zuivere vorm niet voor. Daarbij zijn ze ook nog eens “fractaal”. Ik bedoel daarmee, dat er in een populatie van, laten we zeggen, hoofdzakelijk ST mensen, altijd weer een vierdeling tot uitdrukking komt.

Richardson geeft aan hoe elke (grote) religie altijd deze vier “uitdrukkingen” vindt (Ik bedenk nu overigens dat William James het ook heeft over de variety of religious expressions. Je zou kunnen zeggen dat Ashby’s Law (Law of the Requisite Variety), werkt: om te blijven bestaan, dient ieder systeem minimaal voldoende complexiteit te hebben. Het woord “complex” is hierbij niet toevallig gelijk aan “Complex”). Zowel boeddhisme, christendom (en binnen christendom weer Katholiek (en binnen Katholiek weer Augustijnen, Benedictijnen, Franciscanen, Jezuïeten …) , Protestants (en binnen Protestants weer …)), islam (…) en Judaïsme (…) als binnen yoga vinden we een vierdeling.

[Zien we, in navolging van Yuval Harari (Homo Deus) ook kapitalisme als een religie, dan vinden we ook hier weer de vierdeling terug van beheersmatige en productie (ST) gericht met samenwerkend en sociaal (SF), groeiend via liberaal en handel (NT) en ontwikkelend via ondernemend en innovatief (NF). Uit onze neiging complementariteit als tegenstelling te definiëren, een voorkeur te hebben voor succes (of een eigenlijk een afkeer van falen) en grootte verwarren met succes, ontstaat als vanzelf een verklaring voor de paradoxale situatie van schaarste en overvloed waarin we ons momenteel bevinden.]

Omdat de vier verschillende types niet gelijkmatig over de bevolking (en gender) verdeeld zijn – we hebben nu eenmaal meer aan ST’s en SF-en in de dagdagelijkse praktijk -, bestaat de neiging om de grote groep te volgen (“eenheid” en (sociaal) “werk”), met name onder de relatief kleinere groepen met intuïtie op de voorgrond (NT en NF). De NT’s kunnen dan nog een plaatsje bereiken vooraan of aan de top – visionairs –, voor de NF’s is het het lastigst zich te ontwikkelen onder de druk van de (extroverte) zintuiglijke waarnemers. Maar aan de andere kant, de meeste populaties hebben meestentijds geen behoefte aan profeten, sjamanen, magiërs of facilitators. Alleen in de enkele gevallen van de geboorte van een nieuw idee, vragen we een vroedvrouw. (De NF-spiritualiteit, zo leert Richardson, kent ongeveer drie keer zoveel vrouwen als mannen).

Met dit gegeven laat het zich eenvoudig verklaren hoe “Sofia”, “Isis”, “Maria”, … godinnen van wijsheid -, geassocieerd zijn met gnostiek en hoe de vrouwelijke aspecten van het goddelijke de materie begeesteren. De vrouwelijke NF gnostici kunnen zich goed handhaven in de maatschappij, natuurlijk vooral in een dienend leidende rol. Ik denk dan aan bijvoorbeeld coaching. Voor de mannelijke NF’s, lijkt dan een plaatsje ver van de ordinaire menigte te verkiezen – ascese -. Ze gooien daarbij soms kind met badwater weg: verwarren van dienende, gevende of meer vrouwelijke rol met een inferieure positie.

Voor gnosis – als vierde smaak – geldt ook de viervoudige indeling. Onder kennis kunnen we verstaan

  1. Regels (Het Boek) en logica,
  2. Data of gegevens en wiskunde,
  3. Ervaringen, gevoel en invoelen
  4. Intuïtie of onmiddellijke inzicht en meditatie.

(en natuurlijk zijn er ook weer vier verschillende vormen van meditatie, ascese, coaching en omgaan met regels…)

Lopen met je vraag

Op het terrein van dit voormalig klooster was was een labyrint. Mooi meegenomen. Labyrint is een mooie metafoor voor je levensweg, of voor een bijeenkomst. Je begint met een vraag of opdracht, loopt, komt anderen tegen, kent keerpunten, bent op weg naar een nog onbekend resultaat. Je komt ergens aan, en gaat weer gaat weer terug, terug naar waar je begonnen bent. Maar nu met een antwoord of oplossing. De fysieke ervaring, het gewaarworden tijdens het wandelen helpt, werkt. Ook wanneer je er niet in geloofd of sceptisch bent, zoals een van de deelnemers,

Hoe doe je dat?

Heb je nu geen labyrint tot je beschikking, of vind je dat één stap te ver: het is altijd verstandig om deelnemers tijdens een bijeenkomst even te laten lopen. De instructie die we gaven was heel eenvoudig:
– ga op pad met je vraag. Lees (of herhaal) je vraag voor jezelf. Haal even diep adem en ga op pad naar een haalbaar doel (in dit geval, het centrum van het labyrint)
– loop met je vraag naar je doel, en merk wat je tegenkomt of ontmoet. Waar gaat het zwaar, wanneer licht? B
– aangekomen, sta je even stil, haal adem. Kijk om je heen. Formuleer welk antwoord, inzicht of ideeën in je opkomen.
– loop hetzelfde pad terug, met je antwoord.
– bespreek. Wat ga je doen?

Beelden van Kunstmest 9

Met de deelnemers aan Kunstmest 9 neergestreken in Vught, bij Zin. Twee dagen bijzonder nuttig besteed aan het uitvoeren van sessies. Hierbij wat foto’s. Zoals je weet, werken we op basis van “experiental learning”. Dat houdt ook in, dat we gebruik maken van wat er zich voordoet.

In Beeldspraak met LEGO

img_20161201_193001Wil je sneller en leuker tot de kern van de zaak doordringen? Op 31 januari geef ik een workshop / master class “In Beeldspraak”, werken met LEGO-figuren. De workshop gebaseerd op onze ervaringen van de afgelopen twee jaar met deze nieuwe techniek en de in “Faciliteren als Tweede Beroep” ontwikkelde theorie/metapraxis.

Datum: 31 januari 2017, 13.00 – 17.00
Plaats: Den Haag (volgt, afhankelijk van aantal aanmeldingen)

In de workshop leer je hoe je systemische werk (opstellingen) kunt combineren met story telling, clean language en LEGO-figuren. De techniek kan worden toegepast in diverse situaties: van een intake tot een evaluatie, zowel bij een toekomstvisie als bij een retrospective. Zowel in project management, innovatiesessies als in Appriciative Inquiry (AI), Agile, LEAN of TOC. De techniek zal je gebruikelijke methodes aanmerkelijk versnellen.

Ik vond de praktische vorm waarin een relatie werd gelegd tussen de theorie van Agile, de rol van de personage én de vorm van de workshop erg origineel en knap.
Edward Nuiten – Business Informatie Architect Capgemini

Je maakt kennis met:
– architectuur van universum / legenda van werkelijkheidsopvattingen
– principes van systemisch werken / embodiment (Satir, Pesso, Hellinger)
– taalgebruik (“linker” en “rechter” hersenhelft taal; clean language)
– inleiden, uitvoeren, bespreken en evalueren van opstellingen met figuren
– de tussenruimte
– archetypes (“Weg van de Held”)
– toepassingen in eigen cases.

img_20160324_153323De workshop heeft een hoog interactief gehalte en we werken op basis van Action Learning. Voor de lezers van mijn boek, de veranderwijze is “Evaluerend” en de methode “Waarderend (Rood –> Groen)”. Ze past perfect bij dialoog, story telling en Force Field Analysis.

Verwacht wordt kennis en ervaring met methoden en technieken in faciliteren van groepen, bijvoorbeeld moderatie methode, Brown Paper, Serious Gaming, LEGO Serious Play, opstellingen, mind mapping, visualisatie …

Meer informatie: Workshop Faciliteren Beeldspraak 2

Inschrijven kan via dit formulier:

Workshop "In Beeldspraak"
Introductie prijs: 75 euro. Alle bedragen exclusief btw.

Plaats: in Den Haag

Factuur gegevens

Eventueel bericht

Evoluerend Universum

Naar aanleiding van een bijdrage in de Correspondent van Tamar Stelling, heb ik mijn gedachten laten opkomen over evolutie. [Tussen [] wat aanvullingen]

hoofdstuk7paden-02Evolutie, of evolueren – ik vermijd reïficeren -, is een emergent, autonoom fenomeen, ontstaan uit de paradox van “behoren” (Belonging), ofwel de schijnbare tegenstelling tussen samenwerken (overvloed) of concurreren (schaarste). Ik hanteer een inclusieve of: het kan ook allebei. Deze twee zijn niet tegengesteld aan elkaar, maar complementair. Ze vullen elkaar aan en de één is niet beter dan de ander. Eigenlijk is het één en hetzelfde proces, wat we aanduiden als evolueren. Omdat we om gewaar te worden onderscheid moeten maken1) , ontstaat daarbij een illusie van tegenstellingen. Deze fictieve tegenstellingen verwoorden we in zelfstandig naamwoorden, waardoor ze feiten lijken. 2)3)

Zoals evolueren altijd uit het best aangepaste (fittest) systeem bestaat – er kan geen ander bestaan, anders had dat wel bestaan -, zo ontwikkelt zich ook ons denken over evolueren. 4) Ons denken over evolutie past zich aan, evolueert ook.

[op ieder moment bestaat ons denken uit het begrijpen-tot-dan-toe. Ze is aangepast aan de situatie waarin we verkeren. Wat werkt werkt en wordt werkelijk. Omdat gewaarworden en oordelen onverbrekelijk met elkaar en de gegeven situatie verbonden zijn, kunnen we niet anders dan de gewaarde werkelijkheid verwerkelijken en voor waar houden. Ons wereldbeeld is noodzakelijkerwijs begrensd door – zie de paradoxen van behoren -, zowel ons eigen denken als het denken door anderen. Hieruit ontstaat de beleving van samenwerken (“eens”) of concurreren (“oneens”).

appel peer paradoxIn termen van het gehanteerde model van paradoxen, vertalen we oneens in niet-eens, een digitale tegenstelling. In beide gevallen kunnen we dit aanduiden met het woord “school” (werk zelf uit).

Het moge duidelijk worden, dat daarmee “denken” een noodzakelijk bijproduct is van “evolueren”. Vanuit een bepaald standpunt, zou je de hele evolutie kunnen beschouwen als een denkende, analoge computer, die haar eigen resultaten ontwikkelt. Met de DNA/RNA-“machine” code ontwikkelt zich de eiwit-“programmeertaal”. Een bacterie kunnen we dan opvatten als een stukje samenhangende code of “object”. Deze ontwikkelen zich – de term Agile dringt zich op – tot grotere systemen, met complexe interfaces. Het proces van evolueren omvat het product van evolutie. Zo werkt alles aan haar eigen betekenis.

Wanneer alles een uitdrukking is van paradoxen 5) – in dit geval de paradoxen van “expressie” of uitdrukken -, roepen deze processen een emergent fenomeen op. Ik kan dan zo verklaren, hoe het product van deze processen – in casu de mens – een schepper, designer of ontwikkelaar aanroept. Wat wellicht lastiger te begrijpen valt, is dat deze universele “maker” samenvalt met zijn of haar schepping en dat de geschapene als deel, noodzakelijkerwijs een “afbeelding” is van het geheel. Vandaar dat we in elke religie “verantwoording” dienen af te leggen over onze handelingen en dat ze tegelijkertijd de saamhorigheid (!) bevordert. Waar menige religie in doorslaat, is het verkondigen van een absolute waarheid.]

1) [uitvinden van de werkelijkheid, wat werkt]
2) [ik gebruik hier dus weer het verschijnsel dat feit en fictie “gemaakt” zijn. Reïficeren is dus een emergent fenomeen van waarnemen en denken, de paradox van engageren (Engaging, ofwel percipiëren. Je ziet hoe de paradoxen elkaar oproepen.)]
3) [In het artikel wordt beschreven dat darmflora en andere bacteriën bij ons horen. Dat geldt ook voor al onze “andere” cellen en zich daarin bevindende resten van bacteriën. In termen van de paradox van behoren, begrijp ik nu. hoe de samenhang bestaat tussen

  • identiteit (wellicht beter: identificeren of identfying)iedere cel heeft eigen eigenschappen EN die zijn “onteigent” (oneigenlijk gebruikt) uit algemene eigenschappen
  • individualiteit (en dus hier individualiseren of individualsing) iedere cel is zowel uniek als een deel van het collectief, dat de expressie van die individualiteit mogelijk maakt
  • betrokkenheid (betrekken, betrokken zijn of worden of involving iedere cel betrekt zich op nabije cellen, is tegelijkertijd afhankelijk en onafhankelijk van andere celle
  • grenzen (begrenzen of limiting iedere cel heeft grenzen en wordt begrensd door andere cellen.]

4) [Hiermee valt het universum dus samen met evolutie – niet voor niets allebei woorden die “draaiende beweging” suggereren – en het enigmatische godsbegrip. Niet voor niets begint de bijbel met “in de beginne scheidde (!) god hemel en aarde”]

5) Energie en paradox zijn equivalent. De “spanning” tussen de polen uit zich in de vorm van “energie” en “kracht”, die zich omzetten in “werk”. Omdat energie behouden is, is ook paradox behouden.

Drie regels voor productieve bijeenkomsten

Active participationTaal maakt de mens, zoals mensen taal maken. Onze taal is van oorsprong een “command-and-control“-taal. “Pas op!”, “Doe dat!”, “Hoe gaat het?”. Communicatie bestaat dan uit éénrichtingsverkeer.

In principe verstaan we een boodschap, zoals deze door de zender is bedoeld. Dit heet ook wel het Helsinki-principe, naar een afspraak op een conferentie over computers in de jaren ’50 in Helsinki. Generaliserend vormt het nog steeds de basis van onze bijeenkomsten en conferenties. Na de presentaties weten de deelnemers waar het over gaat. Eenrichtingverkeer.

Is het niet duidelijk? Dan moet het duidelijker gebracht worden. De spreker beter leren presenteren. Of neem een groter scherm, een illustratie of een (teken)filmpje. Niet verkeerd, maar het gaat voorbij aan een elementair principe: communiceren bestaat uit informatie delen. Minder mededelen, meer medeleden.

In bijgaand artikel geeft Dr Ravn duidelijk aan waarom en hoe we informatie daadwerkelijk moeten delen om tot resultaten te komen.

In bijeenkomsten moeten
(1) mensen autonoom (zelfstandig) informatie uit presentatie verwerken door
(2) betrokken (in kleine groepen) hun kennis te delen
(3) gericht op door hen bereikbare resultaten.

Meetings must transform (1) information delivered in presentations, through (2) knowledge sharing into (3) action that creates results.

Professionals moeten leren bijeenkomsten te faciliteren. Begrepen?

from_one-way_communication_to_active_involvement_0, White paper published by by Ib Ravn, Ph.D., Associate Professor, Aarhus University, 2015

Geld geldt

Yuval Harari schetst in zijn twee boeken – Homo Sapiens en Homo Deus – een beeld van de geschiedenis van de mensheid in respectievelijk het verleden en de toekomst. Geld en geloof of vertrouwen in elkaar, speelt daarin een hoofdrol, omdat “betekenen” het sleutelbegrip is, om mensen te begrijpen.

Een van zijn conclusies (en ook de mijne) is, dat we als mensen in twee werelden tegelijkertijd leven: een objectieve, feitelijke wereld en een fictieve, imaginaire wereld. De woorden feiten en fictie verwoorden dat al: beide zijn afgeleid van “facere”, maken.

Hetzelfde geldt voor het woord “geld”. Geld is zowel reëel, objectief en feitelijk als imaginair, subjectief en fictief. Het gebruik van het woord “geld” geldt als geldigheid voor deze bewering.

Een kenmerkend verschil tussen de reële en imaginaire werkelijkheid is, dat de eerste van nature begrensd is en de tweede vanzelfsprekend onbegrensd. Onze fantasieën, dromen en verhalen, zie de boekhandel, bioscoop of tv, kennen geen maat. Onze aardbol en alle voorwerpen, zijn eindig en begrensd. Sterker: ze begrenzen ook onze dromen. Dat noemen we de harde werkelijkheid. Dit verschil houdt overigens ook in, zoals Harari betoogt, dat een echt mens echte pijn en vreugde voelt, maar een groep mensen of organisaties niet.

Geld is een manifestatie van het Thomas Principe (“If men define situations as real, they are real in their consequences.”). Het verhaal dat we elkaar vertellen over geld heet “economie”. De fictie houdt ook in, dat het feit dat iets meer waard is, ook meer kost (“moet kosten”) of opbrengt (“prijzen” (!)) (dit is in een notendop het verhaal van de uitgaven in de zorg). En in het verhaal, vertellen we elkaar, dat de economie eeuwig moet groeien. En gelukkig kunnen we de cijfers op papier laten groeien. Wat we voelen, zien en horen, is dat het fictieve verhaal feitelijk niet meer klopt. Maar ja, wat dan?

Een van de gevolgen van het geloof in ons verhaal, is dat iemand die meer geld heeft, meer waard is. Dat houdt in meer macht en genereert de scheefgroei in het individuele kapitaal. De lengte van mensen heeft een natuurlijke verdeling, niemand groeit tot in de hemel. De verdeling van geld is “onnatuurlijk”. Het verhaal gaat, dat dat “verdient” is. Het is het sprookje van de kleren van de keizer: niemand staat te wachten op een tante Mathilde die gilde: “dat geld is niet echt, je bezit niet meer dan je lichaam”.

De taak waar we voorstaan, denk ik dan, is NIET het verzinnen van een ander verhaal. (Dit is een paradoxale opdracht, ik weet het) Het vraagstuk vraagt om een paradigma verschuiving. Het oude verhaal is niet waardeloos, het is niet langer waar en niet onwaar. We moeten terug naar de bron: “wat verstaan we onder elkaar, onze gemeenschap?”. Ik vermoed, dat het niet te maken heeft met het vertellen van verhalen, maar het vermogen om naar elkaar te luisteren. Een vermogen tot het voeren van een dialoog, zoals mijn lieve vriendin Sofia doet, over de verschillen. We dienen te gaan zoeken in het duister – in onszelf -, waar we de sleutel verloren hebben, en niet in het licht dat straalt op de deur.